Arthur Coleman Danto werd op 1 januari 1924 geboren in Ann Arbor, Michigan, en groeide op in Detroit. Zijn vader, Samuel Budd Danto, was tandarts; thuis heerste de ingetogen toon van het reformjodendom. Van 1943 tot 1946 diende hij in de Tweede Wereldoorlog in het leger, gelegerd in Noord-Afrika en Italië, en hij kwam terug met het vaste plan kunstenaar te worden. Aan Wayne University in Detroit studeerde hij kunst en geschiedenis en vanaf 1947 drukte hij expressionistische prenten. Daarna ging hij filosofie doen aan Columbia; met een Fulbright-beurs volgde hij in 1949-1950 in Parijs de colleges van Jean Wahl. In 1951 keerde hij als docent terug naar Columbia. Zijn houtsneden hingen in de jaren vijftig in het Art Institute of Chicago en de National Gallery of Art, maar na een solotentoonstelling in 1960 stopte hij met kunst maken. De ommekeer kwam in 1964. In de Stable Gallery zag hij Andy Warhols Brillo-dozen en schreef hij ‘De kunstwereld’: wat een voorwerp tot kunstwerk maakt is geen zichtbare eigenschap, maar de theorie en de geschiedenis eromheen. Een jaar later verschenen ‘Nietzsche’ en ‘Analytische geschiedfilosofie’; hij las Nietzsche niet als een verstrooide aforist, maar als een consequente denker. Van 1984 tot 2009 schreef hij kunstkritiek voor The Nation, in een stem die filosofische precisie verbond met alledaags kijken en nooit haar humor verloor. Het idee van het ‘einde van de kunst’, uitgewerkt in ‘De transfiguratie van het alledaagse’ en ‘Na het einde van de kunst’, hield in dat één lijn van vooruitgang zich had gesloten en een meervoudige tijd was begonnen waarin alles kunst kan zijn. In 1990 kreeg hij de National Book Critics Circle Award voor kritiek. Hij stierf op 25 oktober 2013 in Manhattan aan hartfalen.
Midden tot eind 20e eeuw, Verenigde Staten, academische kleding, oudere intellectueel met een bedachtzame uitdrukking.