Auteur · 5 werken
Fjodor Michajlovitsj Dostojevski werd in 1821 geboren in Moskou, in de dienstwoning van het Mariinski-ziekenhuis voor armen, waar zijn vader arts was. Hij groeide op als een van zeven kinderen, in een huis waar strengheid heerste. Zijn moeder stierf in 1837 aan tuberculose; het jaar daarop schreef hij zich in aan de militaire ingenieursschool in Petersburg. Zijn vader stierf in 1839. Hij voltooide de opleiding tot ingenieur, maar verliet al snel de dienst om van zijn pen te leven.
Zijn eerste gepubliceerde werk was een vertaling van Balzacs Eugénie Grandet. Arme mensen, verschenen in 1846, leverde hem de lof van de criticus Belinski op en van de ene dag op de andere een naam. De opgang duurde kort: in 1849 werd hij gearresteerd omdat hij deel uitmaakte van de kring rond Petrasjevski, waar verboden teksten werden voorgelezen. In december werd hij het plein op geleid om gefusilleerd te worden; de executie werd op het laatste moment gestaakt door een ter plekke voorgelezen decreet.
Vier jaar zat hij in het strafkamp van Omsk; in die jaren begonnen ook zijn epileptische aanvallen. In 1859 keerde hij terug naar Petersburg en gaf hij met zijn oudere broer Michail tijdschriften uit. In 1864 verloor hij zijn vrouw en enkele maanden later Michail; schulden en gokzucht bleven hem jarenlang achtervolgen. Om een contract te halen dicteerde hij De speler in zesentwintig dagen; de stenografe die het opschreef, Anna Snitkina, werd het jaar daarop zijn vrouw.
In Misdaad en straf, De idioot, Boze geesten en De gebroeders Karamazov onderzocht hij hoe ver een gedachte een mens kan brengen, en liet hij zijn personages het uitvechten: wie een idee verdedigt en wie het onderuithaalt, spreken in de roman met gelijke kracht. Zijn rede bij de onthulling van het Poesjkin-monument in Moskou in 1880 vond wijde weerklank. Hij stierf op 9 februari 1881 in Petersburg; een enorme menigte volgde zijn kist.
Dostojevski schreef in de jaren waarin Rusland twistte over de vraag of het het Westen moest volgen of terugkeren naar de eigen overlevering. In zijn jeugd verkeerde hij onder westerlingen en utopische socialisten; na de verbanning wendde hij zich tot het potsjwennitsjestvo, het geloof in de eigen bodem en het volk. Zijn terrein waren de realistische roman en de tijdschriftpolemiek van de jaren zestig; zijn twist met nihilisme, rationalisme en de revolutionaire beweging ging rechtstreeks over in zijn romans. De onderdrukking onder Nicolaas I, de hervormingen van Alexander II en de aanzwellende terreurgolf vormden de ondergrond.