Auteur · 2 werken
Reşat Nuri Güntekin werd in 1889 geboren in Üsküdar, aan de Aziatische kant van Istanbul. Zijn vader, İbrahim Nuri Bey, was militair arts; zijn moeder heette Lütfiye Hanım. Doordat de vader telkens werd overgeplaatst, verhuisde de jeugd van de zoon van stad naar stad: de lagere school begon hij in Üsküdar en maakte hij af in Çanakkale, het middelbaar onderwijs volgde hij in Çanakkale en İzmir. In 1912 studeerde hij af aan de letterenafdeling van de Darülfünun in Istanbul, de huidige universiteit van de stad.
Hij begon als leraar Frans in Bursa en gaf later literatuur en opstel aan Istanbulse scholen. Kritieken en verhalen die hij onder schuilnamen in tijdschriften publiceerde, brachten hem tot het schrijverschap. ‘Çalıkuşu’ (‘Het winterkoninkje’) had hij eerst als toneelstuk geschreven, onder de titel ‘Het meisje uit Istanbul’; toen het niet opgevoerd kon worden, maakte hij er een roman van. Het boek verscheen in 1922 als krantenfeuilleton en maakte zijn naam in één klap bekend bij een breed publiek.
Zijn benoeming tot inspecteur van het ministerie van Onderwijs in 1931 bepaalde de rest van zijn leven; de Anatolische stadjes waar hij jarenlang doorheen reisde, leverden stof voor zowel ‘Anatolische notities’ als zijn romans. In ‘Bladval’, uit 1930, beschreef hij het uiteenvallen van een ambtenarengezin onder een veranderend leven. Van 1939 tot 1946 was hij afgevaardigde voor Çanakkale, keerde daarna terug naar het inspectiewerk en vertrok in 1950 naar Parijs als vertegenwoordiger van Turkije bij de Unesco.
Hij schreef een onopgesmukt Turks, dicht bij de spreektaal. De mensen van Anatolië tekende hij niet van een afstand maar van binnenuit, en zijn maatschappijkritiek legde hij in een aangrijpend verhaal; hij geldt als een van degenen die de Turkse roman openden voor de provincie. In 1954 ging hij met pensioen. Hij stierf op 7 december 1956 in Londen, waar hij heen was gegaan voor een behandeling van longkanker, en werd begraven op de Karacaahmet-begraafplaats in Istanbul.
Güntekin schreef op het punt waar het zoeken naar een eenvoudige taal, eigen aan de Nationale Literatuur, samenkwam met de maatschappelijke omwenteling van de eerste republikeinse jaren. In een land dat uit de oorlogen kwam en van rijk naar natiestaat overging, werd erover getwist of de literatuur haar gezicht van Istanbul naar Anatolië moest wenden. Hoe ver de verwestersing mocht gaan, welke plaats de vrouw toekwam, hoe de provincie onderwezen moest worden: dat waren de hoofdvragen van die tijd. Zijn romans komen voort uit de overtuiging dat ze met een realistische blik en in de taal van gewone mensen behandeld moesten worden. Literatuur gold toen als de manier waarop het nieuwe land zichzelf vertelde.