Hakkı Celis, de neef van Naim Efendi, is in het begin van de roman een romantische, verlegen en introverte jonge dichter, een bewonderaar van Baudelaire en Verlaine. Hij is met een platonische en morbide liefde verbonden aan Seniha. De vlucht van Seniha naar Europa, haar vulgaire affaire met Faik en het algemene morele verval zorgen echter voor een diepe teleurstelling bij Hakkı Celis. Na deze crises laat hij gaandeweg de poëzie, de individuele emoties en de ziekelijke liefde achter zich. Met het uitbreken van de Çanakkale-oorlog ontdekt hij een liefde voor zijn vaderland en volk, en zijn individuele verdriet wordt vervangen door het lijden van de samenleving. Hij transformeert langzamerhand in een vastberaden soldaat en ontwikkelt zijn individuele idee van 'dood' tot een nobel geloof in 'martelaarschap' voor het land.
Hij is de kleinzoon van Naim Efendi's oudere zus, Selma Hanımefendi. Hij groeide op met Seniha, maar naarmate hij ouder werd, richtte hij zich op de westerse literatuur (Franse poëzie) en trok hij zich terug in zijn eigen innerlijke wereld.
Aanvankelijk een bleke jongen met lichtbruin/blond haar en lang haar. Hij draagt poëtische, saaie kleding. Nadat hij echter in het leger is gegaan, wordt zijn haar geknipt, zijn huid bruint door de zon, wat hem een Tataars uiterlijk geeft, en hij neemt de gedaante aan van een stoere jongeman in zijn uniform en met spijkerschoenen.
Seniha
Na de eerste periode waarin hij haar als een godin aanbad, ziet hij haar platvloersheid in, beleeft een emotionele breuk en begint van haar te walgen.
Faik Bey
Hoewel hij zijn rivaal is en hij hem haat, kijkt hij tegen het einde van het boek met een vreemd soort medelijden naar de ingestorte toestand van Faik Bey.
Naim Efendi
Hoewel hij weet dat hij niet op zijn grootvader (oudoom) zal gaan lijken, wordt hij degene die diens ellende en adeldom het beste begrijpt; hij toont hem genegenheid.