De voornaamste aanklager die Socrates formeel beschuldigde voor de Atheense rechtbanken van goddeloosheid (niet geloven in de goden van de stad en het uitvinden van nieuwe) en het bederven van de jeugd. Hij is een obscure dichter en toont aan dat zijn argumenten oppervlakkig zijn wanneer hij in een filosofische context door Socrates wordt ondervraagd.
Zoals blijkt uit de inleiding van de tekst, is hij een jonge en onbekende persoon met belangstelling voor poëzie en literatuur. Hij spande de rechtszaak aan als marionet voor machtigere politieke figuren zoals Anytus.
Door Socrates beschreven (zoals vermeld in de Euthyphro) als iemand met 'lang steil haar, een dunne baard en een haviksneus'.
Sokrates
De filosoof die hij haat, maar door wiens scherpzinnigheid hij zich overvleugeld voelt.