De koetsier van Tsjitsjikov. Gedurende de hele roman bestuurt hij het door paarden getrokken rijtuig waarmee Tsjitsjikov tussen steden en landgoederen reist. Met zijn taaie huid, eenvoud en extreme voorliefde voor plezier (alcohol), is hij een representatie van de typische oude Russische 'moezjik' (boer). Tijdens de reis stopt hij bij herbergen wanneer hij de kans krijgt en door dronkenschap laat hij zowel het rijtuig omslaan, waarmee hij zijn meester in gevaar brengt, als dat hij de weg kwijtraakt. Hij balanceert tussen blinde gehoorzaamheid en geveinsde sluwheid. Wanneer hij verwijten en beledigingen van Tsjitsjikov krijgt, mompelt hij in zichzelf en denkt hij aan de schuld te kunnen ontsnappen door deze altijd af te schuiven op anderen of op het lot, in het bijzonder op de luie paarden die voor het rijtuig zijn gespannen (zoals de 'bontgekleurde knol').
Een koetsier die zich heeft onderworpen aan het lijfeigensysteem, wiens afkomst niet erg duidelijk is, maar die het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht op zadels, met tuigage en op modderige wegen, gebruikmakend van de persoonlijke koets (trojka) van zijn meester Tsjitsjikov.
Hij draagt een dikke, oude schapenvachtjas waarin hij lijkt te verdwijnen (samen met hoeden, kappen, enzovoort, tijdens regen en kou). Hij ziet eruit als een ongeschoren, sjofele, typische en verwaarloosde ouderwetse landelijke boer.
Pavel İvanoviç Çiçikof
Zijn meester van wie hij meeprofiteert en wiens orders hij niet durft te trotseren, maar over wie hij achter diens rug om ongegeneerd kan foeteren.
Bakla kırı ve diğer Tembel Atlâr
Zowel zijn metgezellen als zijn stomme slaven, die hij verantwoordelijk houdt voor zijn eigen tekortkomingen.