De beroemde sofist die in het openingsdeel van De Staat (Boek 1) het grootste ideologische obstakel voor Socrates vormt. Hij duikt in de discussie met een woede die hemel en aarde zou kunnen doen bewegen en vernietigt alle morele definities onder het mom van sluwheid. Hij definieert rechtvaardigheid als 'datgene wat het belang van de sterkste dient' en onrechtvaardigheid als 'datgene wat werkelijk slim en een man waardig is'. Zijn filosofische pragmatisme is gebouwd op macht, politiek en bedrog; hij beweert dat mensen in het geheim afgunstig zijn op tirannen. Hij verliest van Socrates, wordt boos en zweet, maar geeft zijn overtuiging in wezen niet op; het diepe cynische realisme dat hij onthult is de werkelijke wond die Socrates ertoe aanzet de overige 9 boeken van de tekst te construeren.
Een rondtrekkende leraar uit Chalcedon en een meester in woorden (sofist). Hij reist van stad naar stad en onderwijst rijke jonge mannen in retorica, de kunst van overtuiging, hofpolitiek en manieren om macht te behouden in ruil voor geld. Hij gelooft oprecht dat moraal slechts een sprookje is dat door de zwakken is uitgevonden.
Een gespannen lichaamstaal die doet denken aan een groot, rood aangelopen, wild en ongecontroleerd wezen (een wolf of leeuw). Iemand die hevig zweet in de hitte en spreekt alsof hij van een hoge positie is losgeraakt.
Glaukon
Degene die het debat later daadwerkelijk zal voortzetten, maar die tegenover hem aan de kant van Socrates staat.
Sokrates
Zijn intellectuele rivaal, voor wie hij vijandigheid en een heimelijk gevoel van nederlaag koestert.