Auteur · 2 werken
Hij werd omstreeks 427 v.Chr. geboren in Athene, in een van de oudste families van de stad. De lijn van zijn vader Ariston werd in de overlevering teruggevoerd op Poseidon, die van zijn moeder Periktione op de wetgever Solon. Zijn eigenlijke naam zou Aristokles zijn geweest; Plato noemde men hem om zijn brede schouders. Zijn vader verloor hij vroeg; toen zijn moeder met haar oom Pyrilampes trouwde, bracht hij zijn jeugd in dat huis door. Hij kreeg volledig de opleiding in poëzie, retorica en gymnastiek die van een Atheense edelman werd verwacht.
De hartstocht van zijn jonge jaren was de politiek. Wat zijn verwanten Kritias en Charmides onder het bewind van de Dertig deden, en daarna het doodvonnis dat de herstelde democratie in 399 v.Chr. over Socrates uitsprak, brachten hem voorgoed van die weg af. Het proces tegen de leermeester die hij jarenlang had gevolgd, legde hij vast in De apologie van Socrates; die tekst is tegelijk een getuigenis en een rekening die de stad wordt voorgelegd.
Na de dood van Socrates bleef hij lang weg uit Athene: hij ging naar Megara, naar Zuid-Italië, naar Sicilië en, volgens sommige verhalen, naar Egypte, en leerde de pythagoreeërs en Archytas van Tarente kennen. Rond zijn veertigste keerde hij terug en stichtte hij buiten de stad, in het bos van Akademos, zijn eigen school, de Academie. Overtuigd dat de filosofie het bestuur kon rechtzetten, reisde hij driemaal naar Syracuse; zijn poging de jonge tiran Dionysius II op te voeden eindigde in wantrouwen en huisarrest.
Zijn denken bouwde hij niet op in verhandelingen, maar via mensen die spreken. In De staat wordt de vraag wat rechtvaardigheid is nooit met een kant-en-klare definitie afgedaan: zij wordt gezocht binnen een gesprek dat met vragen vooruitkomt, en de lezer volgt niet de uitkomst, maar het denken zelf. Hij stierf in 348/347 v.Chr. in Athene; de Academie die hij had gesticht bleef eeuwenlang open.
Plato schreef in een onrustig Athene, waar de Peloponnesische Oorlog op een nederlaag was uitgelopen en de democratie, onderbroken door een oligarchische staatsgreep, opnieuw was opgebouwd. In een stad die deugd afmat aan overtuigingskracht, onderwezen de sofisten tegen betaling de kunst van het spreken, en nam handige welsprekendheid de plaats van de waarheid in. Zijn dialogen antwoorden op dat klimaat: ze verdedigen het verschil tussen retoriek en waarheid, tussen het besluit van de meerderheid en kennis, en betogen dat goed bestuur voortkomt uit kennis en niet uit vaardigheid. Uit diezelfde strijd kwam de Academie voort.